Factchecken

Nederlandse redacties en factcheckers over de zin en onzin van factchecken

Iedere journalist moet vooral zijn eigen feiten checken, luidt de tendens onder Nederlandse media. En wie die van anderen de maat neemt, moet accepteren dat niet iedereen door de waarheid op andere gedachten wordt gebracht.

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen controleert ook de Volkskrant uitspraken van politici. Maar de eerste politieke ‘Klopt dit wel?’ ‘Klopt dit wel?’ is de factcheckrubriek van de Volkskrant. was amper geschreven of er ontstond discussie over de uitkomst: Zie het artikel van Volkskrant-ombudsvrouw Annieke Kranenberg: Conclusie factcheck over Jan Roos kan lezer op verkeerde been zetten. had het niet ‘onzin’ moeten zijn in plaats van ‘bijna goed?’ Als gevolg zou het metertje voortaan worden vervangen door een zin waarin ‘nuance past.’ Volkskrant-hoofdredacteur Remarque schreef: “We vervangen het daarom door een zin, waar wel nuance in past. Toch jammer van dat leuke metertje.”

Het 'metertje' dat de Volkskrant gebruikte voor het visualiseren van de conclusie van factchecks in de rubriek 'Klopt dit wel?'
Het ‘metertje’ dat de Volkskrant gebruikte voor het visualiseren van de conclusie van factchecks in de rubriek ‘Klopt dit wel?’

Beoordelingen van factchecks

Het is niet de eerste keer dat zo’n beoordelingssysteem tot discussie leidt – ook bij de soortgelijke rubriek van NRC weet men er alles van. Want waar baseer je op of iets ‘half waar’ is of juist ‘grotendeels onwaar?’ Dit soort kwantitatieve oordelen suggereert een rekenmethode, schreef NRC-ombudsman Sjoerd de Jong hier in 2014 over. Zie het artikel van NRC-ombudsman Sjoerd de Jong: Next checkt – mooi! Maar het vraagt om heldere normen. Dat die er niet is is niet erg, maar “suggereer dan geen exactheid.” Een legenda zou op zijn plaats zijn, was zijn conclusie.

Maar hoe nuttig is een debat over metertjes? Zoals in het eerste jaaroverzicht van Next Checkt Zie het Next Checkt Jaaroverzicht 2012. werd gesteld, is “de weg naar het oordeel vaak relevanter en interessanter dan het oordeel zelf”. Belangrijker is de inhoud: waarom zou je twijfels kunnen hebben bij deze uitspraak? Daarom valt er genoeg te zeggen voor de beslissing van de Volkskrant. Het is aannemelijk dat discussies zich voortaan minder zullen richten op de vraag of iets ‘bijna goed’ is of ‘twijfelachtig,’ en des te meer op de vraag wat er wel of niet deugt aan een bepaalde bewering.

Uit een rondvraag bij verschillende Nederlandse redacties – van de grotere kranten tot de NOS en NU.nl – blijkt dat de meningen over factcheckers verdeeld zijn. Het is hard nodig om iets tegen onjuiste berichtgeving te ondernemen, zegt de een. Factcheckers hebben alleen wel weinig impact, stelt de ander daar tegenover. Mensen zien vooral graag hun eigen zienswijze bevestigd. Kan een factcheck hen wel overtuigen als het toch iets anders blijkt te zitten?

Twee vormen van factchecken

Grofweg zijn er twee vormen van factchecken van elkaar te onderscheiden:

  • Factcheckers die intern binnen nieuwsorganisaties opereren, en de eigen berichtgeving controleren voordat deze gepubliceerd wordt;
  • De externe factcheckers die zich richten om de wereld om hen heen: sterke uitspraken van politici bijvoorbeeld, of wetenschapsnieuws dat niet deugt.

Tot nu toe hadden we het vooral over de tweede variant. De interne factcheckers kennen wij in Nederland niet. Ze zijn er wel in de Verenigde Staten of bij het Duitse Der Spiegel.

De vraag luidt nu hoe zinnig beide vormen van factchecken zijn: is het een gemis dat we op Nederlandse redacties geen extra filters hebben die erop toezien dat er zo min mogelijk onwaarheden in het nieuws belanden? En voegen de factcheckers die we wél hebben überhaupt iets toe? Daar gaat dit stuk over: de zin en onzin van zowel intern als extern factchecken.

Intern factchecken: een ‘overbodige’ extra laag

Dat redacties intern factchecken niet massaal omarmen, wil niet zeggen dat iedereen het maar onzinnig vindt. Het Duitse Der Spiegel heeft er zelfs een volledige ‘Dokumentation’-afdeling aan gewijd. Als in Nederland Duitse budgetten beschikbaar zouden zijn, is een interne factcheck volgens sommigen nog best het overdenken waard. Maar dat geldt ook voor andere investeringen, zoals de uitbreiding van het correspondentennetwerk. De keuze voor een (interne) check is niet zomaar gemaakt.

Het begrip ‘factchecker’ staat voor een taak die journalisten eigenlijk al hebben sinds mensenheugenis – recht doen aan de waarheid en vooral nog een keer controleren of dat echt gelukt is. Dus waarom die taak nog eens door een extra persoon laten uitvoeren? Bij kranten geldt over het algemeen: feiten controleren is de verantwoordelijkheid van de journalisten zelf en in het verlengde daarvan van de nieuwschefs en eindredacteuren. Gevoelig nieuws krijgt extra aandacht en zodra er iets in het stuk staat dat niet helemaal vertrouwd voelt, gaan de alarmbellen rinkelen.

Niemand produceert foutloos, dus spel- of stijlfouten glippen er wel degelijk af en toe doorheen. Ernstiger dan dit soort relatieve kleinigheden zijn bijvoorbeeld de plagiërende stagiair bij de Volkskrant Lees de reconstructie die Volkskrant-ombudsvrouw Annieke Kranenberg schreef: Te mooi om waar te zijn. of ontraceerbare bronnen in de verhalen van Trouw-journalist Perdiep Ramesar. Lees de reconstructie van Vrij Nederland: Perdiep Ramesar: de man van de anonieme bronnen. Beide affaires hadden met een dubbele, interne check wellicht voorkomen kunnen worden.

Bij de Volkskrant-stagiair had de redactie vooral beter moeten opletten, schreef ombudsvrouw Annieke Kranenberg destijds. Het jarenlange bedrog van Ramesar liet de Trouw-redactie ervan doordringen dat er strenger moest worden omgegaan met het gebruik van anonieme bronnen. Sindsdien moeten deze, in tegenstelling tot hiervoor het geval was, bekend zijn bij de redactie. Ook is er na Ramesars vertrek een ombudsman aangesteld: Adri Vermaat.

Dagbladen in Nederland richten zich meer op achtergrond en duiding, en minder op het snelle nieuws. Die rol laten ze over aan met name NU.nl. En wie een langer stuk schrijft, heeft relatief minder te maken met de publicatiedruk van brekend en onmiddellijk nieuws, dat veel sneller gebracht dient te worden. Dat heeft consequenties voor de check op de informatie.

Het snelle tempo van NU.nl

De enige deadline online is ‘zo snel mogelijk.’ Hoe verifiëren journalisten hun informatie onder zo’n enorme tijdsdruk? Daan Heijink, samensteller van de voorpagina van NU.nl en eindredacteur: “Dat houdt in dat ik fouten aanpas en aangeef wanneer ergens een hiaat zit,” zegt hij. “In veel gevallen zoeken we een tweede bron of bellen onze redacteuren het nieuws na.”

nu logo
Het logo van NU.nl.

NU.nl heeft twee eindredacteuren: een voor overdag en een voor ‘s avonds. Stukken van de deelredacties worden gelezen door de samenstellers daarvan. ‘s Nachts is er een nachtredacteur die ook zijn eigen eindredactie doet. Mocht er dan net iets belangrijks gebeuren dat meer mankracht vereist – denk aan een couppoging in Turkije – dan staan er andere redacteuren stand-by.

Verder geldt ook hier dat de redacteuren zelf de verantwoordelijkheid hebben om hun nieuws te checken. “Bij internationaal nieuws putten we, als het even kan, uit meerdere bronnen,” zegt Heijink. “Idealiter door direct met iemand te spreken, maar als dat niet mogelijk is gaan we uit van media of personen die we betrouwbaar achten.” Het is overigens niet zo dat de snelheid van het internet in álle gevallen leidend is. “Als er bijvoorbeeld een rechtszaak dient en we hebben niemand ter plaatse om verslag te doen, dan zoeken we naar betrouwbare bronnen in de rechtszaal of we wachten met publicatie.”

Daan Heijink, eindredacteur samensteller van de voorpagina van NU.nl.
Daan Heijink, eindredacteur samensteller van de voorpagina van NU.nl.

NU.nl maakt eigen nieuws en put daarnaast uit berichten van het ANP en Reuters. Die worden in principe gecheckt, maar niet altijd. In de uren dat NU.nl niet volledig bezet is, bijvoorbeeld ’s avonds laat of ’s nachts, worden niet alle bronnen die ANP en Reuters opvoeren gecontroleerd. “We zien ANP en Reuters als degelijke persbureaus die zelf journalistieke normen respecteren,” zegt Heijink. “Maar bij twijfel publiceren we niet.”

Het tempo ligt hoog bij NU.nl, dus iedere manier waarop men op tijd kunt bezuinigen is mooi meegenomen. Dat niet ieder bericht van het ANP of Reuters dan nog eens dubbel wordt gecheckt is begrijpelijk, want deze zijn al langs een aantal journalistieke veiligheidskleppen gegaan. Aan de andere kant is ieder mediabedrijf natuurlijk ook zelf verantwoordelijk voor wat er gepubliceerd wordt.

Het ‘Noord-Koreaanse fouten-detectiesysteem’ van ANP

Wat vindt Marcel van Lingen, hoofdredacteur van het ANP, daar zelf eigenlijk van? “Wanneer een bericht van ons niet nog eens extra wordt gecontroleerd, is dat prima.” zegt hij. “Want het moet nieuws zijn als het ANP een fout maakt.”

Het logo van persbureau ANP.
Het logo van persbureau ANP.

Foutloos produceren bestaat natuurlijk niet, benadrukt Van Lingen, maar als enige persbureau van Nederland moet het ANP wel het doel hebben om dat zoveel mogelijk na te streven. Idealiter heeft ieder bericht bijvoorbeeld twee bronnen.

Een paar jaar geleden onderzocht toenmalig journalistiek-student Vicki Blansjaar voor haar afstudeerscriptie in hoeverre dit daadwerkelijk het geval was, en daar kwam uit dat ieder bericht gemiddeld 1,8 bronnen bevat. Lees het artikel van Vicki Blansjaar op De Nieuwe Reporter: ANP is geen doorgeefluik. “Dat kan dus nog beter, maar je moet er ook bij bedenken dat dit getal hier en daar wat vervuild kan raken,” zegt Van Lingen. “Wanneer we een persbericht van het ministerie van Algemene Zaken verwerken en er een citaat van Mark Rutte in staat, gaan we hem niet nog eens persoonlijk navragen of hij dat echt wel gezegd heeft.”

Uit datzelfde onderzoek bleek dat tweevijfde (veertig procent) van de 240 onderzochte nieuwsberichten “zonder navraag de revue passeert”. Dat ging met name om “gebeurtenissen waar de journalist zelf bij was (zoals een rechtszaak of staking), officiële bekendmakingen (zoals een benoeming), meningen van politici en nieuws uit andere media (waar het dan aan wordt toegeschreven)”.

Het ANP heeft een “Noord-Koreaans fouten-detectiesysteem,” zegt Van Lingen. Bronnen worden uitgebreid aan de tand gevoeld en daarna wordt er pas bepaald of er een bericht van wordt gemaakt. Lees het artikel dat Marcel van Lingen schreef op De Nieuwe Reporter: Persberichten van universiteiten worden altijd gecheckt door het ANP. De fouten die er toch tussendoor glippen worden keurig bijgehouden. Het streven is om een maximale foutmarge van 1 procent op de totale productie toe te staan. Bij meer dan 1 procent wordt er ingegrepen.

Het gaat hier om zowel inhoudelijke fouten als vormfouten. “Zodra we erachter zijn gekomen dat er een fout is gemaakt, maken we daar direct melding van, en communiceren we dat naar alle afnemers,” zegt Van Lingen. “En we versturen berichten in meerdere versies. We kunnen niet wachten totdat we alle citaten hebben verzameld, dus voegen we die vaak in bij een nieuwe versie. Dat hoort nou eenmaal bij onze hartslag.”

NOS en RTL: Niet factchecken, maar transparant zijn

Wanneer het aankomt op belangrijke nieuwsgebeurtenissen die relevant zijn voor een groot publiek, zei NOS-hoofdredacteur Marcel Gelauff een jaar geleden in het NRC Handelsblad, Lees het interview op nrc.nl: Ik wil de wereld bij jou thuis brengen zoals-ie is. gaat het in deze tijd niet langer op om de zaak tot op de bodem te onderzoeken en er daarna pas over te publiceren. “Dan is ons devies: ‘Dit speelt er, dit is de bron, we zoeken het uit. Zodra we meer te weten komen, hoort u dat van ons’.” Wanneer een gebeurtenis zich verder ontvouwt, kan de NOS niet achterblijven. “We proberen het wel te controleren, maar als dat niet meteen lukt is factchecking in zo’n geval niet langer heilig.”

Maar zorgt die houding niet tot het onnodig verspreiden van onjuiste informatie? Dat, stelt Gelauff desgevraagd, is niet de bedoeling. En om dat te voorkomen, moeten media-organisaties en journalisten openheid bieden, zegt Gelauff. “Wanneer je niet weet of iets klopt, moet je dat er eerlijk bij zeggen. Daar moet je heel transparant in zijn.”

Het logo van de NOS.
Het logo van de NOS.

De redactie van de NOS wordt door de afdeling DocuMedia ondersteund met research en archiefmateriaal. Elke dag hebben – verspreid over de hele dag – drie informatiespecialisten daar een zogeheten vragendienst, wat betekent dat ze op verzoek informatie verzamelen en uit te pluizen – zo nu en dan zoeken ze ook uit of bepaalde informatie klopt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een persbericht een uitspraak bevat die wat aan de stellige kant is, vertelt Roosje Simon, teamleider van DocuMedia. “Over het algemeen doen we dat niet vaak. Soms twee keer op een dag, maar soms ook een lange tijd helemaal niet.”

RTL Nieuws heeft eveneens een researchafdeling, maar deze is er voor de eigen verhalen: onderzoeksjournalistieke producties, voor zowel televisie als online. Verder weinig afwijkends. Redacteuren worden geacht goed naar hun eigen bronnen te kijken, en chefs stellen vragen “wanneer het wiebelig wordt,” aldus hoofdredacteur Pieter Klein.

Het logo van RTL Nieuws.
Het logo van RTL Nieuws.

Klein sluit zich aan bij het punt dat het digitale tijdperk een transparante werkwijze vereist. “Het internet dwingt ons daartoe. Je zou het zelfs wel kunnen zien als voordeel van deze tijd.” En wanneer er toch een foutje doorheen glipt, is het devies: wees daar eerlijk over. Zoals bij het bericht over etnisch profileren, toen het RTL Nieuws verkondigde dat politiecontroles “in bijna 40 procent van de gevallen niet ‘objectief en redelijk’ te rechtvaardigen” zijn. “Hartstikke goed dat Arjen Lubach dat aan de kaak stelde natuurlijk.” Deze aflevering van Zondag met Lubach is te bekijken op YouTube.

Extern factchecken: geen exacte wetenschap

Diezelfde Lubach heeft iets gemeen met externe factcheckers – zij die niet de berichtgeving van hun eigen medium verifiëren, maar zich juist richten op de buitenwereld en bijvoorbeeld twijfelachtige beweringen van politici of nieuwsberichten van andere media als uitgangspunt nemen. Deze vorm kennen we wél in Nederland: sommige media beschikken over een eigen factcheck-rubriek. Toch ziet lang niet iedereen er een toegevoegde waarde in.

Een kritiek op deze rubrieken luidt bijvoorbeeld dat uitkomsten als ‘half waar’ en ‘grotendeels onwaar’ tot de nodige discussies leiden. De labels zouden bovendien een versimpelde weergave van de werkelijkheid geven. “Die vorm gaat ervan uit dat er steeds één waarheid is, terwijl het er maar net vanaf hangt hoe je het interpreteert,” zegt Marcel Gelauff bijvoorbeeld.

“Als ergens discussie over ontstaat, dan gaat het inderdaad meestal niet over de inhoud, maar over het oordeel,” zegt Jeroen van der Kris, eindredacteur van NRC Checkt. “Een claim beoordelen is natuurlijk geen exacte wetenschap waarop je een formule kunt loslaten. Het is soms lastig om ergens precies de grens van aan te geven.”

‘Half waar’ moet erop wijzen dat een uitspraak meerdere beweringen bevat, waarvan de ene klopt en de ander niet, legde Van der Kris in 2014 uit op verzoek van NRC-ombudsman Sjoerd de Jong. ‘Grotendeels waar’ is bedoeld voor een bewering die in principe klopt, op een kleine vergissing na. De conclusie van De Jong: gebruik een legenda. Die is er vooralsnog niet. De Volkskrant heeft inmiddels zelfs volledig afgezien van het metertje.

Waarheid kwantificeren

In een evaluatie van hun factcheck-dossier voor de Correspondent over de maatschappelijke discussie over windmolens – waarvoor vijf veelgehoorde stellingen aan een check werden onderworpen – geven ook de checkers aan dat er wel eens discussie ontstond over hun beoordelingssysteem. “De door leden genoemde aanvullende cijfers vormen genoeg aanleiding om nog eens kritisch naar onze afwegingen te kijken.” Hun becijfering gaat van 1 (volledig onjuist) tot 5 (volledig juist) – daar tussenin zitten de wat grijzere uitkomsten.

Het metertje dat De Correspondent gebruikt om de conclusies van factchecks weer te geven: (0) niet te checken, (1) volledig onjuist, (2) grotendeels onjuist, (3) deels juist, deels onjuist, (4) grotendeels juist, (5) volledig juist.
Het metertje dat De Correspondent gebruikt om de conclusies van factchecks weer te geven: (0) niet te checken, (1) volledig onjuist, (2) grotendeels onjuist, (3) deels juist, deels onjuist, (4) grotendeels juist, (5) volledig juist.

Het kwantificeren van de waarheid is problematisch. Een factcheck is in feite een beoordeling, met de werkelijkheid als maatstaf, en dat heeft veel weg van een recensie; een recensie over de mate waarin een uitspraak recht doet aan de waarheid. Die kwantificatie (in een cijfer of met een metertje) reduceert een complex verhaal tot een eenvoudig label. Anderzijds maakt dat de rubriek ook juist herkenbaar, overzichtelijk en helder – dat is een afweging.

Laura Wismans en Wilmer Heck schreven eind 2012 het eerste jaar van de NRC Check een evaluatie. Daarin stelden zij dat “de weg naar het oordeel vaak relevanter en interessanter” te vinden dan het oordeel zelf. “Het is niet voor niks dat we na het lezen van dezelfde feiten en nuances soms moeten discussiëren over het uiteindelijke oordeel.” Het doel van de rubriek was om de feiten weer centraal te stellen, als reactie op de ‘feitenvrije politiek.’ Daarbij is het vooral belangrijk om inzichtelijk te maken hoe een uitspraak tot stand is gekomen en hoe deze zich verhoudt tegenover de werkelijkheid.

Dit laatste benadrukt ook Volkskrant-redacteur Ronald Veldhuizen van Klopt dit wel?. Een factcheck-rubriek heeft niet alleen de functie om leugens te doorprikken, maar ook om inzichtelijk te maken hoe berichtgeving – en daarmee die leugens – tot stand komt. “Het is een journalistieke plicht om expliciet te laten zien hoe dat werkt,” zegt hij. “Je bekleedt er bovendien ook een archieffunctie mee: factchecks blijven gewoon online staan, waarmee tegengeluiden vindbaar blijven.”

Preken voor eigen parochie

Een kanttekening bij deze archieffunctie is dan weer dat de factchecks meestal alleen vindbaar zijn voor de abonnees – bij zowel de Volkskrant als NRC zitten deze rubrieken achter een betaalmuur. En daarmee komen we aan bij een tweede kritiek op extern factchecken: leuk dat het er is, maar hoe groot is de impact nou eigenlijk?

Niet bijster groot, stelde journalist (en beheerder van Leugens.nl) Peter Olsthoorn eerder in een artikel op Villamedia. Een factcheck kan nog zo goed in elkaar steken, maar dat wil niet zeggen dat iedere lezer zich daar wat van aantrekt: ze bepalen zelf wel wat ze willen lezen. “Wij journalisten denken vanuit aanbod: onze uitzendingen en artikelen bepalen het gedachtegoed. Reclamemensen beseffen veel beter het werkelijke effect van boodschappen dan journalisten; hersenen staan open voor welgevallige impulsen en trekken verdedigingslinies op tegen ongewenst nieuws.”

Remmelt de Weerd van De Correspondent benadrukt dat ieder medium zijn eigen publiek heeft, en dat dit ook invloed heeft op de manier waarop hun factchecks gelezen worden. “Of het nou gaat om lezers van The Post Online of De Groene Amsterdammer – mijn gevoel zegt dat mensen het liefste luisteren naar wat ze eigenlijk al vinden, hoe goed je factcheck ook is.” Leugens doorprikken is zo gezien een nobel streven, maar ook een geval van ‘preken voor eigen parochie.’

Dit ‘gevoel’ heeft ook een naam: het backfire-effect. Dat houdt in dat, wanneer een factcheck niet strookt met wat mensen verwachten, ze het minder snel geloofwaardig vinden en zelfs nog meer volharden in hun eigen overtuiging. De term is afkomstig van een Amerikaans onderzoek uit 2010. Al wijst recent onderzoek er juist weer op dat dit effect lang niet in alle gevallen hoeft op te treden.

Ook Hans van Maanen, die jarenlang in de Volkskrant wetenschappelijke fabels ontrafelde met zijn column ‘Twijfel,’ relativeert de impact van factchecks met dit argument. Al zegt hij tegelijkertijd gemerkt te hebben dat zijn werk tot op zekere hoogte effect heeft gehad. “Misschien dat wetenschapsredacteuren toch iets voorzichtiger zijn geworden. Sommigen zeiden weleens dat ze aan mijn rubriek moesten denken als ze een opmerkelijke wetenschappelijke claim tegenkwamen.”

Beperkte impact?

Het is veelzeggend dat zelfs mensen die zich intensief bezig hebben gehouden met het doorprikken van leugens, zich bescheiden uitlaten over de impact ervan. Maar dat wil niet zeggen dat deze er totaal niet is. Olsthoorn neemt de Amerikaanse verkiezingen als voorbeeld, als ik hem ernaar vraag: “Als je bedenkt dat de aanhang van Hillary Clinton zo erg afnam nadat de suggestie werd gewekt dat ze gelogen zou hebben over haar email-schandaal, zou je kunnen stellen dat waarachtigheid wel degelijk een rol speelt. Juist die kleine groep mensen die op de wip zitten zouden zich door factchecks kunnen laten beïnvloeden. In beperkte mate, maar toch.”

Ook Remmelt de Weerd van De Correspondent denkt dat we in Nederland nog veel aan factcheckers zouden kunnen hebben. “Ik ben er zelf zeker van overtuigd dat het waarde heeft, zeker als je het op grote schaal doet en er veel mensen mee bereikt, zoals tijdens verkiezingen.” Wel zouden we goed over de aanpak na moeten blijven denken, benadrukt hij. “Nu is het vaak toch wat willekeurig, of op de verkeerde toon. Misschien moeten we wat gerichter factchecken.”

Dokter Media, het platform dat medische berichtgeving duidt en nuanceert, is opgezet door twee artsen, die het opviel dat veel patiënten vraagtekens bleken te hebben bij nieuwsberichten. De artsen schrijven wekelijks ‘reviews,’ die bestemd zijn voor een breed publiek. Weten ze dat brede publiek ook te bereiken?

Het logo van Dokter Media.
Het logo van Dokter Media.

Ruim een jaar na de lancering zegt Lester du Perron – een van hen – dat er meer partijen in hun initiatief geïnteresseerd zijn dan ze hadden verwacht. “We werken inmiddels samen met huisartsenopleidingen, waar onze reviews als onderwijsmateriaal wordt gebruikt, en hebben onder andere op een symposium voor communicatiewetenschappen gestaan.” Du Perron heeft het idee dat ook lezers met minder specifieke medische kennis hun reviews lezen. “Vaak hebben mensen het originele nieuwsbericht nog niet eens gezien voordat ze op ons verhaal terechtkomen.”

Het feit dát iets als Dokter Media is ontstaan, laat hoe dan ook zien dat er behoefte is aan een antwoord op de massale verspreiding van onbetrouwbare informatie. En factcheckers zijn daar in ieder geval één van.


— of — Reageer

Reacties

Leave a Reply